winkelen
ik
ik heb gewinkeld.
Maak een goede zin.
ik - graag - . - 'fietsen'
ik fiets graag
Maak een goede zin.
de lerares - goed - koken - kan - .
De lerares kan goed koken.
wandelen
ik
ik heb gewandeld.
Maak een goede zin.
'slapen' - graag - jij - .
jij slaapt graag.
Maak een goede zin.
goed - slapen - kan - de baby - .
De baby kan goed slapen.
eten
jij
jij hebt gegeten.
Maak een goede zin.
graag - een boek - 'lezen' - zij - .
Zij leest graag een boek.
Maak een goede zin.
met de auto - hij - rijden - goed - kan - .
Hij kan goed met de auto rijden.
kopen
wij
wij hebben gekocht.
Maak een goede zin.
met de kinderen - 'spelen' - graag - mama- .
Mama speelt graag met de kinderen.
Maak een goede zin.
Nederlands - goed - kunnen - spreken - de cursisten - .
De cursisten kunnen goed Nederlands spreken.
zijn
hij
hij is geweest.
Maak een goede zin.
koffie - graag - drinken - wij - .
Wij drinken graag koffie.
Maak een goede zin.
het huis - kan - hij - poetsen - . - goed
Hij kan het huis goed poetsen.