een taart bakken
Ik bakte een/geen taart.
naar muziek luisteren
Ik luisterde (niet) naar muziek.
in de tuin werken
Ik werkte (niet) in de tuin.
een spel spelen
Ik speelde een/geen spel.
schoonmaken
Ik maakte (niet) schoon.
wandelen in het bos
Ik wandelde (niet) in het bos.
puzzelen
Ik puzzelde (niet).
sporten
Ik sportte (niet).
koffie drinken*
Ik dronk (geen) koffie.
boodschappen doen*
Ik deed (geen) boodschappen.
naar een film kijken*
Ik keek (niet) naar een film.
uitslapen*
Ik sliep (niet) uit.
een boek lezen*
Ik las een/geen boek.
naar de markt gaan*
Ik ging (niet) naar de markt.
vrienden bezoeken*
Ik bezocht (geen) vrienden.
Ik bezocht mijn vrienden (niet).
zwemmen*
Ik zwom (niet).
Ik gaf de planten (geen) water.
samen eten*
Ik at (niet) samen.
een cadeau kopen*
Ik kocht een/geen cadeau.
de trein nemen*
Ik nam de trein (niet).
Ik nam geen trein.