de tafel dekken
een persoon boven de 18 jaar
een volwassene
Ik ... de tafel ... (dekken)
Ik heb de tafel gedekt.
Hij ... zijn rijbewijs toen hij 23 jaar was.
Hij behaalde zijn rijbewijs.
Hij is gestopt ... roken.
Hij is gestopt MET roken.
Alles van de tafel halen na het eten =
de tafel afruimen
een kind tussen 12 en 18 jaar.
een jongere, een tiener, een puber
Ik ... naar Antwerpen ... (verhuizen)
Ik ben naar Antwerpen verhuisd.
De kinderen ... hun ouders in het huishouden. (helpen)
De kinderen hielpen hun ouders in het huishouden.
Ik moet de kinderen nog ophalen ... school.
Ik moet de kinderen nog ophalen van school.
Ik doe thuis de ... : ik doe kleine reparaties.
Ik doe thuis de klusjes.
een oude persoon
een bejaarde
Mijn zus... alles ... (afwassen).
Mijn zus heeft alles afgewassen.
Wij ... vorig jaar een appartement. (kopen)
Wij kochten vorig jaar een appartement.
De les stopt ... 12.30 uur.
OM 12.30u.
En mijn man droogt af.
een kind tussen 2.5 en 6 jaar
een kleuter
Mijn vader ... ... met werken.
Hij is gestopt met werken.
Zij ... de was ... . (ophangen)
Zij hing/hingen de was op.
Zij is geboren ... 20 maart 1984
OP 20 maart 1984.
... jij 's ochtend je bed ... ?
Maak jij 's ochtends je bed op?
een peuter
Gisteren ... ik alles kleren ... . (strijken)
Gisteren heb ik alle kleren gestreken.
Mijn man ... altijd de kinderen naar school.
Mijn bracht de kinderen naar school.
IN 2018