Maak een antwoord met 'er' of 'het'.
Maak een antwoord met 'er' of 'het'.
Maak een antwoord met 'er' of 'het'.
100

Vind jij Nederlands leuk? 

Ja, ik vind het leuk. 

Nee, ik vind het niet leuk. 


(leuk vinden + geen prepositie = het) 

100

Hou jij van chocolade? 

Ja, ik hou ervan. 


Nee, ik hou er niet van. 


(houden + prepositie 'van'= er) 

100

Ga jij vanavond het huiswerk maken? 

Ja, ik ga het vanavond maken. 

Nee, ik ga het vanavond niet maken. 


(gaan maken + geen prepositie= het) 

200

Hebben jullie naar de beelden op het stadhuis gekeken?

Ja, wij hebben ernaar gekeken. 

Nee, wij hebben er niet naar gekeken. 


(kijken+ prepositie 'naar' = er) 

200

Heb jij de fles wijn opgedronken? 

Ja, ik heb het opgedronken.


Nee, ik heb het niet opgedronken 

(opdrinken+ geen prepositie = het) 

200

Weet jij iets van computers?

Ja, ik weet er iets van.


Nee, ik weet er niets van. 

(weten + prepositie 'van' : er) 

300

Praat jij soms over je problemen?

Ja, ik praat er soms over. 


Nee, ik praat er niet soms over. 


(praten + prepositie 'over': er) 

300

Heb jij de nieuwe film van Brad Pitt gezien? 

Ja, ik heb het gezien. 

Nee, ik heb het niet gezien. 


(zien + geen prepositie = het)

300

Begrijp jij de nieuwe grammatica?

Ja, ik begrijp het. 


Nee, ik begrijp het niet. 

(begrijpen + geen 'prepositie' : het)

400

Heb jij al voor het examen gestudeerd?

Ja, ik heb er al voor gestudeerd. 


Nee, ik heb er nog niet voor gestudeerd. 


(studeren + prepositie 'voor' = er)

400

Lach jij soms om grappige video’s?

Ja, ik lach er soms om. 


Nee, ik lach er niet om. 


(lachen + prepositie 'om'= er) 

400

Ben jij tevreden met je resultaten?

Ja, ik ben er tevreden mee .


Nee, ik ben er niet tevreden mee. 


(tevreden + prepositie 'met' : er  + met >mee)

M
e
n
u