Ik heet Philippe. [X] achternaam is Alvaz.
mijn
De studenten hebben niet gestudeerd dus [x] zijn niet geslaagd voor de test.
ze/zij
Gert is moe omdat [x] de hele nacht niet heeft geslapen.
hij
Zijn rug doet pijn daarom gaat [x] morgen naar de dokter.
hij
Maria heeft een dochter die in Amerika woont. [x] spreekt dus vloeiend Engels.
Zij/Ze
Dit is de vrouw van Ahmed. [X] vrouw heet Zeynep.
Zijn
Goedemorgen meneer Roberts, hoe gaat het met [x]?
u
Wij spreken Nederlands en Duits. [X] moedertaal is Nederlands.
Onze (de taal)
Is dit jouw zoon? Hij lijkt op [x]!
jou
Ik heb jouw boek niet bij. Maar ik zie je morgen. Is het goed als ik het boek dan aan [x] geef?
jou/je
Wij hebben één dochter. [x] meisje heet Feline.
ons (het meisje)
Waar is Mark? Ik wacht op [x].
hem
Hoe voel je [x] vandaag?
je
De jongen is al zelfstandig. Elke dag kleedt hij [x] alleen aan.
zich
Gerda spreekt Duits. Duits is [X]moedertaal.
haar
je
Will en Jada komen uit Amerika. [X] nationaliteit is Amerikaans.
Hun
Waar zijn de kinderen? Ik zie [x] niet.
hen
Wij ergeren [x] aan mensen die roken.
ons
ons