We verbleven in Brussel. Wij hebben veel dingen in Brussel bezocht.
We verbleven in Brussel waar we veel dingen hebben bezocht.
(plaats)
Ik heb boeiende verhalen gehoord. Deze verhalen zullen mij altijd bijblijven.
Ik heb boeiende verhalen gehoord die mij altijd zullen bijblijven.
(de verhalen= die)
Ik heb in een 4-sterrenhotel geslapen. Het hotel heeft mij echt verrast.
Ik heb in een 4-sterrenhotel geslapen dat me echt heeft verrast.
(het hotel: dat)
Dit is mijn reisbegeleider. Ik ben verliefd op hem.
Dit is de reisbegeleider op wie ik verliefd ben.
(verliefd zijn op)
We verbleven in Brussel. Brussel is de hoofdstad van België.
We verbleven in Brussel dat de hoofdstad van België is.
(naam van een stad= dat)
We bezochten het stadscentrum. Het stadscentrum is klein en gezellig.
We bezochten het stadscentrum dat klein en gezellig is.
(het stadscentrum= dat)
We nemen bus 459 die naar het centrum rijdt.
(de bus)
Het Louvre is een museum in Parijs. Je moet dit museum absoluut bezoeken.
Het Louvre is een museum in Parijs dat je absoluut moet bezoeken.
(het museum: dat)
Ik maak in de zomer een reis naar Colombia. Ik heb al jaren over deze reis gedroomd.
Ik maak in de zomer een reis naar Colombia waarover ik al jaren heb gedroomd.
(dromen over)
Mijn man gaf mij souvenirs. Hij had deze souvenirs op een marktje gekocht.
Mijn man gaf mij souvenirs die hij op een marktje had gekocht.
(de souvenirs= die)
Dat is de vrouw. We hebben bij haar gelogeerd.
Dat is de vrouw bij wie we hebben gelogeerd.
Wij vonden een strand. Bijna niemand lag op dat strand.
We vonden een strand waarop bijna niemand lag.
(liggen op)
Ik zoek het meisje. Ik sprak op de bus met haar.
Ik zoek het meisje met wie ik op de bus sprak.
(spreken met)
Deze man is de gids. Je kan je vragen aan hem stellen.
Deze man is de gids aan wie je je vragen kan stellen.
(vragen stellen aan)
Booking.com heeft een app. Je kunt gemakkelijk hotels boeken met deze app.
Op deze foto zie je twee meisjes. We reisden samen met hen.
Op de foto zie je twee meisjes met wie we samen reisden.
(reizen met)
Dit is het hotel. Ik heb een klacht over dit hotel.
Dit is het hotel waarover ik een klacht heb.
(een klacht hebben over)
Dit is het monument. De gids heeft gisteren uren over het monument gesproken.
Dit is het monument waarover de gids gisteren uren heeft gesproken.
(spreken over)
Beaune is een Frans dorp. Beaune staat bekend om zijn wijnproductie.
Beaune is een Frans dorp dat om zijn wijnproductie bekendstaat.
OF:
Beaune is een Frans dorp dat bekendstaat om zijn wijnproductie.
(bekendstaan om. Let op: separabele verba schrijf je opnieuw als één woord in een bijzin)
Ibiza is een eiland. Het trekt elk jaar duizenden toeristen aan.
Ibiza is een eiland dat elk jaar duizenden toeristen aantrekt.
(het eiland: dat)
(let op: separabele verba > 1 woord in de bijzin)