kennen erkennen herkennen verkennen
Wij gaan morgen een nieuwe stad ______.
verkennen
Vrijdagavond ______ we eten bij het Chinese restaurant, om de hoek.
halen af
Ik ______ mijn jas, want het is koud.
pak
Zij ______ haar rijbewijs nog maar pas.
heeft behaald
Hij ______ dat hij vaak te laat was op zijn werk.
erkent
heeft erkend
erkende
Kun je mij om 18:00 uur ______ aan het station?
ophalen
Ik ______ hem onmiddellijk: zijn haar zag er nog precies zo uit als 10 jaar geleden, maar ik wist zijn naam niet meer.
herkende /had herkend
Ik ben een week ziek geweest en nu moet ik mijn gemiste werk ______.
inhalen