De politie arresteert de verdachte
De verdachte wordt gearresteerd (door de politie).
De dokter heeft de patiënt behandeld
De patiënt is behandeld.
(perfectum: vorm van zijn+ participium)
De moeder heeft de tafel gedekt
De tafel is gedekt.
(perfectum: vorm van zijn+ participium)
De ober serveert het eten
Het eten wordt geserveerd.
(presens: word(en) + participium)
De dief stal de laptop.
De laptop werd gestolen.
(imperfectum: werd(en) + participium)
De overheid organiseert in mijn stad de grootste marathon van België.
De grootste marathon van België wordt in mijn stad georganiseerd.
(presens: word(en) + participium)
De winkel verkocht veel producten.
Veel producten werden verkocht.
(imperfectum: werd(en) + participium)
De technicus heeft het probleem opgelost
Het probleem is opgelost.
(perfectum: vorm van zijn+ participium)
De leraar heeft de toets verbeterd.
De toets is verbeterd.
(perfectum: vorm van zijn+ participium)
De agenten ondervroegen de getuige.
De getuige werd ondervraagd.
(imperfectum: werd(en) + participium)
De student zal de oefening later nog maken.
De oefening zal later nog gemaakt worden.
(futurum: vorm van zullen+ participium+ worden)
De leraar legde de grammatica uit.
De grammatica werd uitgelegd.
(imperfectum: werd(en) + participium)
De chef had het eten klaargemaakt
Het eten was klaargemaakt.
(plusquamperfectum: vorm van waren+ participium)
De gids zal de groep begeleiden
De groep zal begeleid worden.
(futurum: vorm van zullen + participium+ worden)
De journalist had het nieuws gepubliceerd.
Het nieuws was gepubliceerd.
(plusquamperfectum: vorm van waren+ participium)
De journalist zal volgende week de reportage over Gaza maken.
De reportage over Gaza zal volgende week gemaakt worden.
(futurum: vorm van zullen + participium+ worden)