
Ik fiets.
Ik heb vandaag (niet) gefietst.

Het regent.
Het heeft vandaag (niet) geregend.

Ik werk.
Ik heb vandaag (niet) gewerkt.
![]()
Ik luister naar de radio.
Ik heb (vandaag) niet naar de radio geluisterd.

Ik wandel met mijn hond.
Ik heb vandaag (niet) met mijn hond gewandeld.

Ik kook pasta.
Ik heb vandaag (geen) pasta gekookt.

Ik teken.
Ik heb vandaag (niet) getekend.

Ik speel kaart.
Ik heb vandaag (geen) kaart gespeeld.

Ik drink koffie.
Ik heb vandaag (geen) koffie gedronken.

Ik loop.
Ik heb vandaag (niet) gelopen.

Ik doe boodschappen.
Ik heb vandaag (geen) boodschappen gedaan.
Ik eet frietjes.
Ik heb vandaag (geen) frietjes gegeten.
Ik ontbijt.
Ik heb vandaag (niet) ontbeten.
Ik schrijf een brief.
Ik heb vandaag (geen) brief geschreven.

Ik lees een boek.

De zon schijnt.
De zon heeft vandaag (niet) geschenen.
Ik zwem.
Ik heb vandaag (niet) gezwommen.

Ik verjaar.
Ik ben vandaag (niet) verjaard.

Ik ga naar de fitness.
Ik ben vandaag (niet) naar de fitness gegaan.

Ik eet fruit.
Ik heb vandaag (geen) fruit gegeten.