(zinnen)
Ik praat over mijn werk.
Ik praat erover
Ik denk aan mijn toekomst.
Waar denk je aan?
Waaraan denk je?
J’aime calculer.
Ik houd van rekenen.
J’ai beaucoup d’amis.
Ik heb veel vrienden.
calcul mental
hoofdrekenen
Ik kijk zelden naar de dieren.
Ik kijk er zelden naar
Ik luister naar muziek.
Waar luister je naar?
Waarnaar luister je?
Je pense en mots.
Ik denk in woorden.
J’aime dessiner et bricoler.
Ik houd van tekenen en knutselen.
le poème
het gedicht
Ik speel vaak met de gitaar.
Ik speel er vaak mee
Ik werk met Word.
Waar werk je mee?
Waarmee werk je?
Ik luister graag naar anderen.
Je me connais bien.
Ik ken mezelf goed.
siffler
fluiten
Wij lopen altijd naar het park.
Wij lopen er altijd naartoe
Ik ga naar school.
Waar ga je naartoe ?
Je veux toujours faire de mon mieux.
Ik wil altijd mijn best doen.
Je sais ce que je veux.
Ik weet wat ik wil.
la responsabilité
de verantwoordelijkheid
Hij komt van de bibliotheek.
👉Hij komt ervandaan.
Ik kom van school.
Waar kom je vandaan ?
J’observe avec précision.
Ik observeer nauwkeurig.
Je chante et je siffle souvent.
Ik zing en fluit vaak.
raisonner
redeneren