WENS: deze week koffie drinken
Ik zou deze week koffie willen drinken.
Ik zou graag deze week koffie drinken.
VOORSTEL: volgende week naar de bibliotheek gaan?
Zullen we volgende week naar de bibliotheek gaan?
VOORSTEL: samen huiswerk maken
Zullen we samen huiswerk maken?
VOORSTEL: morgen samen de trein nemen
Zullen we morgen samen de trein nemen?
VOORSTEL: deze week naar de fitness gaan
Zullen we deze week naar de fitness gaan?
WENS: een nieuwe jas kopen
Ik zou graag een nieuwe jas kopen.
Ik zou een nieuwe jas willen kopen.
TOEKOMST: veel Nederland studeren
Ik zal veel Nederlands studeren.
TOEKOMST: de kleren wassen
Ik zal de kleren wassen.
TOEKOMST: morgen naar de markt
Ik zal morgen naar de markt gaan.
TOEKOMST: morgen naar de cinema gaan.
Ik zal morgen naar de cinema gaan.
TOEKOMST: de muren van het huis behangen
Ik zal de muren van het huis behangen.
WENS: koekjes bakken
Ik zou graag koekjes bakken.
Ik zou koekjes willen bakken.
VOORSTEL: morgen gaan zwemmen
Zullen we morgen gaan zwemmen?
VOORSTEL: morgenavond op restaurant gaan
Zullen we morgenavond op restaurant gaan?
VOORSTEL: overmorgen boodschappen doen
Zullen we overmorgen boodschappen doen?
WENS: op vakantie gaan
Ik zou op vakantie willen gaan.
Ik zou graag op vakantie gaan.
WENS: naar de zee gaan
Ik zou naar de zee willen gaan.
Ik zou graag naar de zee gaan.
TOEKOMST: deze avond koken
Ik zal deze avond koken.
WENS: perfect Nederlands praten
Ik zou perfect Nederlands willen praten.
Ik zou graag perfect Nederlands praten.
VOORSTEL: morgen met de fiets naar Kortrijk rijden
Zullen we morgen met de fiets naar Kortrijk rijden?