Kijk naar de foto. Maak een goede zin.
Kijk naar de foto. Maak een goede zin.
100

 Wat doet de man?

Hij ontbijt. 

100

 Wat doet Jens?

Hij neemt een douche. / Hij doucht. 

200

 Wat doet de vrouw?

Zij gaat slapen.

200

 Wat doen de kinderen?

Zij eten (een warme maaltijd). 

300

 Wat doen de kinderen?

Zij lunchen. 

Zij eten lunch.

300

 Wat doet de man?

Hij staat op.

400

 Wat doet de familie Peeters?

Zij komen thuis. 

400

 Wat doet Philippe?

Hij begint te werken. 

M
e
n
u