sporten
Heb je dit weekend gesport?
Ja, ik heb dit weekend gesport.
Nee, ik heb dit weekend niet gesport.
vroeg opstaan*
Ben je dit weekend vroeg opgestaan?
Ja, ik ben dit weekend vroeg opgestaan.
Nee, ik ben dit weekend niet vroeg opgestaan.
op citrytrip zijn*
Ben jij dit weekend op citytrip geweest?
Ja, ik ben dit weekend op citytrip geweest.
Nee, ik ben dit weekend niet op citytrip geweest.
in je dagboek schrijven*
Heb je dit weekend in je dagboek geschreven?
Ja, ik heb dit weekend in mijn dagboek geschreven.
Nee, ik heb dit weekend niet in mijn dagboek geschreven.
een spelletje spelen
Heb je dit weekend een spelletje gespeeld?
Ja, ik heb dit weekend een spelletje gespeeld.
Nee, ik heb dit weekend geen spelletje gespeeld.
Heb je dit weekend gezwommen?
Ja, ik heb dit weekend gezwommen.
Nee, ik heb dit weekend niet gezwommen.
met de computer werken
Heb je dit weekend met de computer gewerkt?
Ja, ik heb dit weekend met de computer gewerkt.
Nee, ik heb dit weekend niet met de computer gewerkt.
naar een serie kijken*
Heb je dit weekend naar een serie gekeken?
Ja, ik heb dit weekend naar een serie gekeken.
Nee, ik heb dit weekend niet naar een serie gekeken.
medicatie innemen*
Heb je dit weekend medicatie ingenomen.
Ja, ik heb dit weekend medicatie ingenomen.
Nee, ik heb dit weekend geen medicatie ingenomen.
huiswerk maken
Heb je dit weekend huiswerk gemaakt?
Ja, ik heb dit weekend huiswerk gemaakt.
Nee, ik heb dit weekend geen huiswerk gemaakt.
stofzuigen
Heb je dit weekend gestofzuigd?
Ja, ik heb dit weekend gestofzuigd.
Nee, ik heb dit weekend niet gestofzuigd.
iets op sociale media posten
Heb je dit weekend iets op sociale media gepost?
Ja, ik heb dit weekend iets op sociale media gepost.
Nee, ik heb dit weekend niets op sociale media gepost.
naar een vriend bellen
Heb je dit weekend naar een vriend gebeld?
Ja, ik heb dit weekend naar een vriend gebeld.
Nee, ik heb dit weekend niet naar een vriend gebeld.
vrienden bezoeken*
Heb je dit weekend vrienden bezocht?
Ja, ik heb dit weekend vrienden bezocht.
Nee, ik heb dit weekend geen vrienden bezocht.
op je telefoon scrollen
Heb je dit weekend op je telefoon gescrold?
Ja, ik heb op mijn telefoon gescrold.
Nee, ik heb niet op mijn telefoon gescrold.
met vrienden afspreken*
Heb je dit weekend met vrienden afgesproken?
Ja, ik heb dit weekend met vrienden afgesproken.
Nee, ik heb dit weekend niet met vrienden afgesproken.
solliciteren
Heb je dit weekend gesolliciteerd?
Ja, ik heb dit weekend gesolliciteerd.
Nee, ik heb dit weekend niet gesolliciteerd.
kleren kopen*
Heb je dit weekend kleren gekocht?
Ja, ik heb dit weekend kleren gekocht.
Nee, ik heb dit weekend geen kleren gekocht.
veel slapen*
Heb je dit weekend veel geslapen?
Ja, ik heb dit weekend veel geslapen.
Nee, ik heb dit weekend niet veel geslapen.
frietjes eten*
Heb je dit weekend frietjes gegeten?
Ja, ik heb dit weekend frietjes gegeten.
Nee, ik heb dit weekend geen frietjes gegeten.
koffie drinken*
Heb je dit weekend koffie gedronken?
Ja, ik heb dit weekend koffie gedronken.
Nee, ik heb dit weekend geen koffie gedronken.
poetsen
Heb je dit weekend gepoetst?
Ja, ik heb dit weekend gepoetst.
Nee, ik heb dit weekend niet gepoetst.
naar de markt gaan*
Ben je dit weekend naar de markt gegaan?
Ja, ik ben dit weekend naar de markt gegaan.
Nee, ik ben dit weekend niet naar de markt gegaan.
nieuwe schoenen passen
Heb je dit weekend nieuwe schoenen gepast?
Ja, ik heb dit weekend nieuwe schoenen gepast.
Nee, ik heb dit weekend geen nieuwe schoenen gepast.
iemand helpen*
Heb je dit weekend iemand geholpen?
Ja, ik heb dit weekend iemand geholpen.
Nee, ik heb dit weekend niemand geholpen.