een puzzel van 1000 stukken maken?
Heb jij een puzzel van 1000 stukken gemaakt?
+ Ja, ik heb een puzzel van 1000 stukken gemaakt.
- Nee, ik heb geen puzzel van 1000 stukken gemaakt. (een > geen)
naar het centrum fietsen?
Ben jij naar het centrum gefietst?
+ Ja, ik ben naar het centrum gefietst.
- Nee, ik ben niet naar het centrum gefietst.
(verbum 'zijn' + naar + mobiliteit + niet voor prepositie 'naar')
stoofvlees bereiden?
Heb je stoofvlees bereid?
+ Ja, ik heb stoofvlees bereid.
- Nee, ik heb geen stoofvlees bereid.
(geen + substantief zonder artikel)
het plafond schilderen?
Heb jij het plafond geschilderd?
Ja, ik heb het plafond geschilderd.
Nee, ik heb het plafond niet geschilderd.
(niet na het+substantief)
Nives mailen?
Heb jij Nives gemaild?
+ Ja, ik heb Nives gemaild.
- Nee, ik heb Nives niet gemaild.
(niet na naam)
Heb jij de Eifeltoren bezocht?
+ Ja, ik heb de Eifeltoren bezocht.
-Nee, ik heb de Eifeltoren niet bezocht.
(de + substantief + niet)
5 liter wijn drinken?
Heb jij 5 liter wijn gedronken?
+ Ja, ik heb 5 liter wijn gedronken.
-Nee, ik heb geen 5 liter wijn gedronken.
(geen + cijfer)
Nederlands spreken?
Heb jij Nederlands gesproken?
+ Ja, ik heb Nederlands gesproken.
- Nee, ik heb geen Nederlands gesproken.
een plastic zwembad kopen?

+ Ja, ik heb een plastic zwembad gekocht.
- Nee, ik heb geen plastic zwembad gekocht.
(een > geen)
iets nieuws proberen?
Heb jij iets nieuws geprobeerd?
+ Ja, ik heb iets nieuws geprobeerd.
- Nee, ik heb niets nieuws geprobeerd.
(iets > niets)
de buurman uitnodigen?
Heb jij de buurman uitgenodigd?
+ Ja, ik heb mijn buurman uitgenodigd.
-Nee, ik heb mijn buurman niet uitgenodigd.
(mijn + substantief + niet)
met de fiets vallen?

Ben jij met de fiets gevallen?
+ Ja, ik ben met de fiets gevallen.
- Nee, ik ben niet met de fiets gevallen.
(niet voor prepositie 'met')
nog Nederlands studeren?
Heb jij nog Nederlands gestudeerd?
+ Ja, ik heb nog Nederlands gestudeerd.
- Nee, ik heb geen Nederlands meer gestudeerd.
(nog > niet/geen meer)
veel ijsjes eten?
Heb jij veel ijsjes gegeten?
+ Ja, ik heb veel ijsjes gegeten.
- Nee, ik heb niet veel ijsjes gegeten.
(niet voor hoeveelheid 'veel')
gaan uiteten?
+ Ja, ik ben gaan uiteten.
- Nee, ik ben niet gaan uiteten.
een spannend boek lezen?
Heb jij een spannend boek gelezen?
+ Ja, ik heb een spannend boek gelezen.
- Nee, ik heb geen spannend boek gelezen.
(een > geen)
deze oefening al maken?
Heb jij deze oefening al gemaakt?
+ Ja, ik heb deze oefening al gemaakt.
- Nee, ik heb deze oefening nog niet gemaakt.
(al > nog niet + na 'deze/die/dat/dit + substantief)
van de zon genieten?
Heb jij van de zon genoten?
+ Ja, ik heb van de zon genoten.
- Nee, ik heb niet van de zon genoten.
(niet voor prepositie 'van')
's avonds buitenzitten?
Heb jij 's avonds buitengezeten?
+ Ja, ik heb 's avonds buitengezeten.
- Nee, ik heb 's avonds niet buitengezeten.
(niet na tijd)
jouw kleerkast opruimen?
Heb jij jouw kleerkast opgeruimd?
+ Ja, ik heb mijn kleerkast opgeruimd.
- Nee, ik heb mijn kleerkast niet opgeruimd.
(possessief pronomen + substantief+ niet)
1 mei moeten werken?
Heb jij 1 mei moeten werken?
+ Ja, ik heb 1 mei moeten werken.
-Nee, ik heb 1 mei niet moeten werken.
(niet na tijd)
langer kunnen slapen?
Heb jij langer kunnen slapen?
+ Ja, ik heb langer kunnen slapen.
-Nee, ik heb niet langer kunnen slapen.
(niet + adjectief)
Heb jij de lentepoets gedaan?
+ Ja, ik heb de lentepoets gedaan.
- Nee, ik heb de lentepoets niet gedaan.
(niet na de+ substantief)
deze film zien?
Heb jij deze film gezien?
+ Ja, ik heb deze film gezien.
- Nee, ik heb deze film niet gezien.
(deze/die/dit/dat + substantief+niet)
zondagochtend sporten?
Heb jij zondagochtend gesport?
Ja, ik heb zondagochtend gesport.
Nee, ik heb zondagochtend niet gesport.
(niet na tijd)